Aanzegvergoeding: alleen schriftelijke aanzegging telt voor de wet

23 oktober 2020

Het is al maanden duidelijk dat een werknemer de organisatie gaat verlaten. Toch eist ze aan het einde van haar arbeidsovereenkomst een maand salaris op omdat de werkgever de aanzegging alleen mondeling heeft gedaan. Staat de werknemer in haar recht?

De werknemer is als magazijnbeheerder op een tijdelijk contract in dienst gekomen bij haar werkgever in de automobielsector. Haar werk bevalt goed, dus na de eerste zeven maanden wordt de arbeidsovereenkomst met een jaar verlengd. Daarna is de koek op. Het gaat de werkgever financieel niet voor de wind en hij laat de werknemer in de herfst van 2018 mondeling weten dat haar arbeidsovereenkomst na 31 maart 2019 om financiële redenen niet kan worden verlengd.

Dat het de werknemer duidelijk is dat ze vanaf 1 april 2019 haar heil buiten de organisatie moet zoeken, blijkt uit mails die zij in februari en maart verzendt naar collega’s en relaties van haar werkgever. Zoals deze, verzonden op 20 februari 2019: ‘Hoi, Eerst moet ik je een beetje slecht nieuws brengen, ik moet per 1 april het pand verlaten ivm dat het niet zo goed met de zaak gaat. Het goede nieuws is dat ik waarschijnlijk al een andere baan krijg bij justitie.’

Aanzegvergoeding

Toch stuurt ze op 29 maart 2019 een mail naar haar directeur en een collega: ‘Hoi, wat is de bedoeling moet ik nu 1 april nog komen werken?‘ De collega overhandigt de medewerker een brief, gedateerd 2 januari 2019, waarin staat dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd en daarom van rechtswege per 31 maart 2019 eindigt. Ter plekke streept de collega de datum 2 januari 2019 door en verandert dit met de hand in 31 maart 2019.

De werknemer neemt hier geen genoegen mee. Zij maakt schriftelijk aanspraak op € 2.895,95 bruto als aanzegvergoeding op grond van artikel 7:668 lid 3 BW. Wanneer haar werkgever laat weten dit niet te zullen betalen, stapt de werknemer naar de rechter.

Lees ook: De aanzegverplichting

Oordeel van de kantonrechter

De kantonrechter vindt dat het in deze situatie in strijd is met de redelijkheid en de billijkheid om de werkgever te veroordelen tot het betalen van de aanzegvergoeding. Het is immers volstrekt duidelijk dat de werknemer wist dat zij vanaf 1 april niet meer werkzaam zou zijn voor de organisatie. Zij heeft ook een andere baan gezocht én gevonden in de periode voordat haar arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigde.

De werknemer wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen.

Hoger beroep

Hiermee eindigt de zaak echter niet. Overtuigd van haar gelijk gaat de werknemer in hoger beroep. De spelregels voor de aanzegverplichting zijn vastgelegd in artikel 7:668 van het Burgerlijk Wetboek. Lid 1 van artikel 7:668 BW verplicht de werkgever uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt de werknemer schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst.

Blijft de werkgever in gebreke of doet hij de aanzegging te laat, dan schrijft lid 3 van artikel 7:668 BW voor dat hij de werknemer een vergoeding naar rato moet betalen. Dat wil zeggen dat een werkgever die de werknemer helemaal in het ongewisse laat, een vergoeding moet betalen van een maand loon. Maar wie vijf dagen te laat is, betaalt een vergoeding van 5/30 van een maandloon.

Dwingend recht

De idee achter de aanzegverplichting is dat een werknemer moet weten waar hij of zij aan toe is. Maar de werknemer in deze zaak wist dat haar arbeidsovereenkomst op 1 april zou eindigen. Toch heeft zij volgens het gerechtshof het gelijk aan haar kant. Het venijn zit hem in het woordje schriftelijk. De werkgever heeft de werknemer in de herfst van 2018 mondeling geïnformeerd over het aflopen van de arbeidsovereenkomst.

De werkgever zegt op 2 januari een brief te hebben gestuurd naar de werknemer om dit schriftelijk te bevestigen. Maar omdat deze brief niet aangetekend is verstuurd, kan de werkgever niet bewijzen dat de werknemer de brief heeft ontvangen.

Artikel 7:668 BW is zogenaamd dwingend recht. Er worden dus geen uitzonderingen gemaakt op de eis van schriftelijkheid.

Oordeel van het gerechtshof

De werknemer zegt dat zij in de periode van eind februari tot eind maart wel degelijk hoop had dat zij voor haar werkgever zou blijven werken. Het gerechtshof acht dit niet onbegrijpelijk. Een andere medewerker was ook te verstaan gegeven dat zijn contract niet zou worden verlengd. Nadat er een monteur vertrok, kon deze betreffende medewerker alsnog blijven.

De werknemer wist ook niet zeker dat ze ergens anders aan de slag kon. Weliswaar had ze zicht op een nieuwe baan, maar er moest nog een medische keuring en een arbeidsvoorwaarden gesprek plaatsvinden.

Kortom ze verkeerde dus in onzekerheid. En dat is nou precies wat artikel 7:668 moet voorkomen.

Het feit dat de werkgever in een slechte financiële situatie verkeert, betekent volgens het hof niet dat het onredelijk en onbillijk is dat hij aan de aanzegverplichting moet voldoen.

De werkgever moet de aanzegvergoeding betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2019. Ook draait hij op voor de kosten van zowel het hoger beroep als die van de eerste procedure.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | ECLI:NL:GHSHE:2020:3115

Deel
  • Over ons

    Jurgens-Partners staat bekend om integriteit, commitment, oog voor detail, een professionele benadering en persoonlijke touch. Met beide benen op de grond! Wij hechten veel waarde aan het nakomen van afspraken, gaan met zorg om met gegevens van onze opdrachtgevers en zijn transparant in onze communicatie. Read more…

  • Executive search

    Jurgens-Partners beschikt over een uitgebreid netwerk, met de (juiste) keuze bepaald u de toekomst van uw organisatie. Een verkeerde keuze heeft onherroepelijk gevolgen. Niet alleen financieel, maar ook voor uw interne organisatie en de reputatie van uw bedrijf ... Read more…

  • Interim management

    In elke onderneming zijn er periodes waarin de bestaande functionele invulling niet meer voldoet: een omslag die op zeer korte termijn moet worden gerealiseerd, een ingrijpende herstructurering, dreigende insolventie of de behoefte om onverwachte vacatures in te vullen. Read more…